Selecteer pagina

Turkse appeltjes en verloren tijden

Turkse appeltjes en verloren tijden

De Franse schrijver Marcel Proust schreef tussen 1909 – 1922 zijn belangrijkste werk, A la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd). Het werk bestaat uit 7 delen, met een gezamelijk aantal pagina’s van ruim 3000. In een van de boeken komt een scene voor waarin de verteller van het verhaal (Marcel) een Madeleine (een klein Frans, schelpvormig cakeje) in zijn bloesemthee doopt en op eet. Door de smaak komen allerlei herinneringen boven uit zijn jeugd, uit verloren tijden.

Een kist buiten voor de winkel

Onlangs zag ik bij mijn Turkse groenteboer hele kleine appeltjes in een kist buiten voor de winkel liggen. Ze hebben geen ‘merk’, het zijn merkloze appeltjes, op het bordje staat gewoon: kleine appeltjes, 1,49 per kilo.*
Ze waren geel met een klein blosje, maar – naarmate het warmer werd – werden de appeltjes roder. Ze zijn kleiner dan de kleinste merkappeltjes die ik ken.

Ik heb ze al een paar keer gekocht en ze smaken naar appeltjes uit een privé tuin. Niet te zoet, lekker hard en heel sappig. Ze smaken naar de appeltjes die ik als klein kind kreeg van mijn tante Annie. Tante Annie was de zus van mijn vader, zij woonde in een groot huis met haar man en twee dochters – mijn nichtjes – en was mijn lievelingstante. Goedgehumeurd, lief en er was altijd wel iets leuks te doen met haar. Ze droeg – in mijn herinnering – altijd mooie jurken met veel kleuren en bloemen en ze rook heerlijk naar Lelietjes van Dalen.

Bij het grote huis hoorde een enorme tuin met allerlei verschillende fruitbomen en bessenstruiken en een groot tuinhuis. En ook een fabriek met veel losse gebouwen, mannen in overalls en een kantoor. Omdat mijn vader op dat kantoor werkte, kwamen mijn zusjes en ik daar vaak op bezoek. We speelden dan buiten in de grote tuin totdat mama ons kwam halen.

Als het fruit rijp was

Aan het einde van de zomer, als het fruit rijp was, vroeg Tante Annie altijd aan mij en mijn zusjes om mee te helpen met plukken. De plukkers bestonden dan uit familieleden, wat mannen van de fabriek en tuinmannen, zij stonden op trappen en ladders om de bomen leeg te halen en wij – de twee nichtjes, mijn zusjes en ik – mochten de kleine boompjes op het grasveld leegplukken en de bessen van de struiken halen.

Alhoewel het altijd heel gezellig was, en alle plukkers goed verwend werden met drinken en eten, vond ik het plukken van het fruit niet onverdeeld leuk. Vooral tussen de Conférenceperen – die met hun lange nekken met stelen in trossen tegen elkaar hingen – zaten altijd heel veel oorwurmen, die geschrokken alle kanten uitrenden zodra ik een peer vastpakte. Dus rende ik de hele tijd van de boom weg en dan weer terug, ik vond het doodeng. Omdat ik de kleinste was van alle kinderen moest ik altijd de peren plukken van mijn zusjes, maar ik denk nu dat het om de oorwurmen ging, waar zij en mijn nichtjes ook van gruwelden. Zij lachten mij meestal uit, om al mijn heen en weer geren.

De appeltjes in de kelder

De appeltjes waren met het plukken nog niet ‘klaar’. In de jaren ’50 werd fruit vaak – uitgestald op houten vlonders – in de donkerste kelder bewaard, zonder licht en waar het altijd koud was door kleine raampjes zonder glas die in de buitenmuur zaten.

En zo bleef dat fruit een winter lang prima, het was de tijd zonder grote koelruimtes en koelkasten.
Mijn lieve tante vroeg mij dan zo af en toe of ik wat appeltjes uit de kelder wilde halen. Zij was er zelf te lang voor zei ze, en ik was de kleinste en lenigste van de kinderen om haar heen. Ik stierf 1000 doden, maar als mijn tante het vroeg… nee zeggen kon ik gewoon niet.

De donkerste kruipkelder

Er waren wel voorwaarden aan verbonden als ik die appeltjes uit de kelder moest halen, voorwaarden die mijn tante en ik samen hebben opgesteld. Allereerst werd het grote licht in de gang aan gedaan, daarna moest tante Annie op de tweede trede gaan staan van het stenen trapje dat naar de eerste kelder leidde. We hadden samen vastgesteld dat ik zo – als ik weer uit de donkerste kelder kroop – meteen haar enkels en schoenen zou zien. De eerste kelder was een ruime kelder die wel enigszins verlicht werd door het ganglicht en die achteraan toegang gaf naar de donkerste kruipkelder van de appeltjes. De laatste voorwaarde bestond uit de opdracht voor mijn tante om, gedurende de tijd dat zij voor mij onzichtbaar was, de hele tijd tegen me te blijven praten.

Op deze manier was ik dan in staat om even in het eeuwige donker te zijn, verstoken van de lichte wereld. Alleen de stem van mijn tante hield mij op de been, ik graaide dan de appeltjes van de vlonder, telde ze twee keer – of het aantal klopte want terug ging ik zeker niet – gooide ze in het mandje en kroop dan zo snel als ik kon de eerste kelder weer in, zag de enkels en schoenen van mijn tante, hoorde haar praten, klom het trappetje op en sjeesde de gang van het huis in! Weer niet opgeslokt door een donker monster.

De appeltjes van tante Annie liggen nu gewoon in het daglicht, buiten, met z’n alle bij elkaar in een mooie houten kist. Ik kan ze zo pakken. Het gemak van de grote stad, waar het nooit donker wordt. En telkens als ik mijn tanden in zo’n klein merkloos appeltje zet, dan komen mijn herinneringen aan de verloren tijd vanzelf.

Anna van Zoeten

* Vlak voor het versturen van dit stukje ging ik even een foto van de appeltjes maken. Kleine appeltjes heten nu Mini appeltjes, en dat vóór men mijn stukje heeft kunnen lezen! De prijs per kilo is gelijk gebleven.

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *