Ik kom thuis en vind mijn dochter niet lekker op de bank. Een oorinfectie lijkt af en aan op te spelen. Bleekjes kijkt ze op. Ik geef haar een aai over haar wang. En slik mijn tranen weg. Ze ligt onder dé deken. Precies zoals mijn moeder het had gewild.

Jarenlang zie ik in een grote linnenkast talloze oude stoffen liggen. Waarom mijn moeder ze niet gewoon weggooit, ik begrijp het niet. Wat moet je ermee? En ik denk dat zij af en toe hetzelfde dacht. ‘Moet ik het niet wegdoen? Heb ik weer kastruimte voor andere spulletjes.’ Maar iets houdt haar tegen. Gelukkig.

En opeens is de stapel stoffen weg. Hetzelfde geldt voor de overhemden van mijn vader. Ik denk er verder niet bij na. Misschien is de kleding te confronterend nu hij is overleden.

Tot het moment dat ze mijn zus en mij bij zich roept. Ze heeft iets voor ons. Iets dat ons hopelijk troost kan bieden. Voor als zij er ook niet meer is. Vol trots laat ze het kleed zien. Het kleed dat de buurvrouw heeft gemaakt, op nauwkeurige aanwijzingen van mijn moeder. Een kleed met álle stofjes. Overhemden van mijn vader, jurkjes van mijn zus en mij, tafelkleden. Alle herinneringen minuscuul gedetailleerd verwerkt in een patchwork-deken. Met rechtsonder in de hoek een foto van mijn ouders, geprint op stof.

Ik ken niemand die zo goed over alles heeft nagedacht als mijn moeder. Het zijn stuk voor stuk cadeautjes die ze naliet, die ik nu meer waardeer dan ooit. Unieke momenten van troost. En dat is precies wat de deken doet. Het geeft troost. Aan ‘zij van acht’. Maar vooral aan mij.

Enige nadeel is dat ik vanaf nu natuurlijk geen favoriet kledingstuk meer weg kan doen. Gelukkig aan kasten geen gebrek. Want eigenlijk kon mijn moeder niets goed wegdoen. Kasten inclusief. Morgen maar eens eentje uitzoeken.

Bekijk hier alle blogs van BlogZonderNaam